logo009

DE DRAAIMOLEN

VAN

B.M. GIEZEN

Toen Bernardus Marinus Giezen aan het einde van de negentiende eeuw een Draaimolen kocht van de familie Leander, kon niemand vermoeden dat deze attractie bij vele generaties kermisbezoekers een grote indruk zou achterlaten.

Giezen1

DE FAMILIE
Bernardus Marinus Giezen was van huis uit geen kermisexploitant. Hij werd geboren te Doetinchem op 25 september 1864. In deze plaats was hij later ook werkzaam als koopman. Na verloop van tijd vertrok hij naar Nijmegen en op 23 december 1895 verhuisde hij naar Wageningen. Hij trouwde met Petronella (Pieternella), Johanna Leander, geboren te Nijmegen op 7 december 1867.
Uit dit huwelijk werden vier kinderen geboren:
1-Maria Johanna, op 18 januari 1884.
2-Andreas Gerhardus, op 3 maart 1891.
3-Wilhelmina Johanna, op 25 september 1895.
4-Bernardus Marius, op 10 april 1898. Deze overleed echter nog geen jaar later op 22 maart 1899.
Op 20 april 1900 komt ook zijn vrouw Petronella Johanna Giezen - Leander op tweeëndertig jarige leeftijd te overlijden en zo bleef Giezen alleen met de kinderen achter. Later zou hij opnieuw in het huwelijk treden met de weduwe Vermolen - Pais, die zelf ook al kinderen had.

Giezen2

De Draaimolen op de kermis te Helvoirt omstreeks 1915. Rechts vooraan met pet Ben Vermolen.

Giezen8

De Draaimolen op de kermis te Maastricht in de dertiger jaren. Links met wandelstok B.M. Giezen.

OP REIS MET DE MOLEN
Met de van Leander in 1895 gekochte Draaimolen reisde Giezen hoofdzakelijk in de Gelderse Achterhoek, het gebied waar hij eerder ook als koopman werkzaam was. Later ging hij steeds meer de kermissen in Brabant bezoeken. Van de drie kinderen zouden er nog twee naam maken in de kermiswereld. Dochter Maria Johanna vertrekt op 22 november 1910 naar Bergen op Zoom en trouwt met Jan Willem Janvier, één van de meest bekende personen uit de Nederlandse kermisgeschiedenis. Zij wordt op 18 mei 1912 gevolgd door haar broer Andreas Gerhardus (Dries), die op zijn beurt trouwt met een zuster van J.W. Janvier. Deze Dries zou later in de kermiswereld bekend worden als decorateur, ontwerper en kermis- en circusexploitant.

GEVAARLIJK TILBURG
In 1919 bezocht B.M. Giezen voor de eerste maal ook de Tilburgse kermis. Hij had eigenlijk eigenlijk wel eerder in Tilburg willen pachten, maar hij durfde in eerste instantie niet zo goed, want zijn schoonvader, Leander, had hem eens verteld dat Tilburg de naam had als zijnde de stad met het hoogste percentage alcoholisme en de meeste vechtersbazen en messentrekkers. Ook wist schoonvader nog te vertellen dat in Tilburg het bloed onder de vloer van de danstenten vandaan droop. Ondanks deze waarschuwingen pachtte Giezen toch en kreeg dus plaats in Tilburg. Het bleek gelukkig allemaal heel erg mee te vallen, want Giezen zou nog vele jaren de Tilburgse kermis bezoeken. Na afloop van het seizoen 1919 vestigde de familie Giezen zich in ’s-Hertogenbosch, waar zij later in Orthen een woning betrokken.

MAX en VOS
De aandrijving van de molen geschiedde in eerste instantie met mankracht, iets wat wel een zwaar karwei was. Later gebeurde dit door twee paarden, Max en Vos, die om de beurt de molen moesten trekken. Als de molen dan moest stoppen werden er enkele planken, die aan de molen vastzaten, in de manége gegooid, waarna men op de planken ging staan. Het vervoer van de Draaimolen gebeurde in het begin met boerenkarren, die door paarden werden voortgetrokken. Ook schijnt de Draaimolen nog per schip vervoerd te zijn. De onderdelen werden dan telkens met een handkar van het schip naar het kermisterrein gereden. De familie was in die tijd ook nog niet in het bezit van een salonwagen. Het gehele huishoudelijke leven speelde zich af in een woontent, waarin men moest eten en slapen. Er waren in die tijd zelfs exploitanten die met hun gezin rondom de mast van de molen leefden. Op een dag kocht Giezen een paar assen en wielen met de bedoeling daar een echte pakwagen van te bouwen. Dit bleek echter geen succes, want de ijzeren ringen die om de houten wielen zaten liepen er regelmatig af en de zelfbouwwagen hield het dan ook niet lang uit. Daarom werd maar besloten een nieuwe te laten bouwen en enige jaren later beschikte men over drie pakwagens. Deze wagens werden ook nog eens keurig genummerd. Dit was weer een idee van zoon Dries. Later werd in Nijmegen de eerste vrachtauto gekocht, een Mercedes Benz. Vanaf die tijd bestond het wagenpark uit een vrachtauto, een salonwagen en een paar pakwagens. Dit betekende echter wel dat er drie keer heen en weer moest worden gereden om al het materiaal over te brengen.

VERLICHTING OP DE MOLEN
De eerste verlichting van de molen bestond uit carbidlampen. Deze werden vervolgens vervangen door zogenaamde Washington persgaslampen waarvan men er veertig op de ring had zitten en zes grote op de molen. Ook zijn er ooit nog petroleumlampen gebruikt. De eerste echte elektrische verlichting kreeg men op de kermis te Helmond. Deze verlichting zat echter niet op de molen, maar was bevestigd op vier lange palen die rond de Draaimolen stonden opgesteld. Het is niet bekend, waarom men destijds voor een dergelijke constructie koos en of dit wel een succes was. Op de kermis te Etten - Leur kreeg de zaak uiteindelijk zijn eerste echte binnenverlichting.

Giezen5a

LEEUWENKOPPEN
Buiten de verlichting werd er in de loop der jaren natuurlijk wel meer veranderd aan de molen. Zo kwam er onder andere een nieuw plaatrabat, dat werd ontworpen en gemaakt door zoon Dries, die ook het beeldhouwwerk, paarden en gondels voor zijn rekening nam. De gebeeldhouwde leeuwenkoppen tussen de plaatrabatten op de kap werden vervaardigd door beeldhouwer Gijs van Nieuwenhuizen, een beeldhouwer die bij Giezen in dienst was. Deze van Nieuwenhuizen, die graag een borreltje lustte, was nog al eens een keer weg en op een dag toen er nog slechts één leeuwenkop gemaakt moest worden was Giezen het beu en besloot die laatste leeuwenkop zelf maar te maken. Van Nieuwenhuizen had alle koppen gemaakt met open bek, maar dat kreeg Giezen niet voor elkaar en daarom maakte hij die laatste kop met een gesloten bek. Verder werden ook nog de koperen stangen in de molen vervangen door nikkelen. Tijdens de kermis te Zaltbommel, omstreeks 1925, krijgt de molen zijn eerste Electro - motor en konden de paarden voortaan op stal blijven.

ORGELS
Bij een Draaimolen hoort natuurlijk een orgel, maar daar kon Giezen in het begin nog niet over beschikken. De muziek werd in de beginjaren verzorgd door een hoornblazer, die hierbij ook nog op de trommel sloeg. Later toen er meer financiële middelen waren huurde men een cilinder orgel in Rotterdam. Dit betekende wel dat men voor aanvang van het kermisseizoen het orgel eerst in Rotterdam moest ophalen en als het seizoen voorbij was ging het instrument weer terug naar de eigenaar. Dit ging zo door tot dat in 1912 een zekere Blanche uit Veenendaal een paar 52 toets Gasparini’s op de reis bracht. Giezen bestelde een exemplaar en in 1913 werd het instrument bij hem afgeleverd. Vanaf die tijd heeft er permanent een orgel in de Draaimolen gestaan, eerst dus de Gasparini, vervolgens een Bruder en weer later een 49 toets Carl Frei met boeken van Carl Frei en Henk Möhlman.
Tot 1942 heeft B.M. Giezen met de Draaimolen gereisd, daarna werd het bedrijf overgenomen door zijn beide stiefzonen Ben en Frans Vermolen. Hierover echter meer in het volgende deel over de historie van deze prachtige Draaimolen.

Zie ook: Draaimolen Vermolen

H. van Oers                   

NB. Excuus voor de slechte kwaliteit van de foto’s.

Deze site is het laatst aangevuld/bewerkt op 27 april 2011.

Veel foto’s en afbeeldingen uit de diverse hoofdstukken en meer vind u op http://album.kermishistorie.nl