logo009

 DE GEBROEDERS DESMET

Het kermisleven van de Gebroeders Desmet begint aan het einde van de negentiende eeuw, toen zij mede door het verlies van hun vader en moeder al vroeg op eigen benen kwamen te staan.

Vader Marechal Desmet was handelaar in tweedehands goederen. Het gezin Desmet verkeerde doorgaans in behoeftige omstandigheden, waaraan men zich krampachtig probeerde te ontworstelen, maar dat viel in die tijd niet mee. Marechal heeft drie zonen: Mathijs, Jean en Ferdinand.

DE ZONEN
In een tijdsbestek van twee jaar overlijden beide ouders en gaan de kinderen een onzekere toekomst tegemoet. De jongste zoon, de toen achtjarige Mathijs, kwam terecht in een weeshuis te ’s-Hertogenbosch, waar hij tot zijn veertiende jaar zou blijven. Later toen het tijd werd om voor zich zelf te gaan zorgen ging hij eerst werken als bakkersknecht en daarna slagersknecht. In 1896 trouwt Jean met Catharina Dahrs. Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren, twee jongens en een meisje. Een van de zonen zou al op jonge leeftijd overlijden. Ferdinand trouwde in 1897 te Roermond met Maria Herregodts.
De twee oudste broers, Jean en Ferdinand hadden inmiddels gekozen voor het reizende kermisbestaan waar zij probeerden voor hun eigen inkomen te zorgen. Hun werkterrein lag in die tijd voornamelijk in België, waar Ferdinand onder andere boekjes verkocht over de Boerenoorlog in Transvaal. Broer Mathijs voelde zich ook wel tot het kermisbestaan aangetrokken zodat hij zijn baan opzegde en zijn broer Ferdinand ging assisteren.

JEAN
Hij verdiende in eerste instantie de kost met de exploitatie van enkele orgels, maar toen hij wat verdiend had begon hij samen met een zekere Deckers het Groot Wonderrad van Avontuur. Dat was een grote loterijzaak waar hoofdzakelijk huishoudelijke artikelen te winnen waren, zoals spiegels, klokken, theetafeltjes, vazen, stoelen enz. De loterijwet uit 1905 gooide echter roet in het eten, waardoor Jean Desmet moest uitzien naar een andere broodwinning. Hij koos voor een in die tijd sensationele attractie, ‘The Canadian Tobogan’, een vijfentwintig meter hoge spiraalglijbaan, zoals er ook een door de firma J. Kunkels - van Bergen werd geëxploiteerd. Het was een attractie die was gebouwd bij Devos

Desm1

in Gent. Deze zaak werd overgenomen van L. Benner, die toen inmiddels met een Stoomcarrousel op reis was. Maar ook hier ondervond Jean Desmet tegenwerking, omdat de overheid vond dat er bij de Tobogan een kans bestond op lichamelijk letsel.

Dit ging zelf zo ver dat een aantal gemeenten overging tot het uitvaardigen van een Toboganverbod. Maar Jean Desmet had inmiddels al in de gaten dat er van de zijde van het publiek veel belangstelling was voor de film. Daarom paste hij zijn Tobogan zo aan, dat het ook mogelijk was om in gemeenten met een Toboganverbod filmvoorstellingen te geven. Later werd deze Tobogan waarschijnlijk helemaal omgebouwd tot een echte reizende Bioscoop en werd de naam ‘Canadian Tobogan’ veranderd in ‘The Imperial Bio’.

De Bioscoop had tweehonderd en tachtig zitplaatsen, die bestonden uit houten klapstoelen, overtrokken met blauw fluwelen hoezen, waarop met gouddraad de initialen J.D. geborduurd waren. De zitplaatsen waren destijds verdeeld in drie rangen. Het front van ‘The Imperial Bio’ was uitgevoerd in Jugendstil en zag er bijzonder fraai uit. De controle was afgesloten met zware fluwelen gordijnen in de kleuren rood en roze en afgezet met goud geborduurde banden, voorzien van sierlijke monogrammen. De kassa was gebouwd bij Devos in Gent en stond opgesteld onder een fluwelen baldakijn van blauwe gordijnen vol franje en gouden kwasten. Alles was tot in detail afgewerkt, het leek wel een paleis. De muziek werd verzorgd door een Gasparini orgel dat links in de tent stond. De locomobiel voor het opwekken van de stroom stond aan de rechterkant. Naast de tent stond dan nog een wagen met de filmapparatuur.

‘The Imperial Bio’ van J. Desmet op de kermis te Groningen.

Desm2a

LUXE SALONWAGEN
Jean Desmet verdiende in korte tijd veel geld zodat hij zich wel wat luxe kon veroorloven. Daarom liet hij in Gent een nieuwe salonwagen van tien meter lang bouwen. Het interieur bestond uit een salon, een slaapkamer en een badkamer met ligbad. De badkamer was geheel uitgevoerd in marmer, terwijl de andere vertrekken helemaal waren betimmerd met mahonie en gedecoreerd met wand- en plafondbeschilderingen, aangebracht door de Belgische kunstenaar Albert de Sonneville. De nieuwe salonwagen werd altijd naast de Bioscoop geplaatst en sommigen hadden er graag tien cent voor over om het interieur te mogen bekijken.

Desm3a

FERDINAND
De op 4 april 1877 geboren Ferdinand Martial Desmet, die zijn reizend bestaan begon op de Belgische kermissen, was inmiddels in Nederland teruggekeerd en had zich gevestigd in Roermond. Hij ging op reis met een Danssalon. Dat was in die tijd een zaak waar goed mee te verdienen viel. 

Deze Danssalon had hij zelf gemaakt met onderdelen van de voormalige Hypodrôme van de firma L. Overmeer - Tewe. Men reisde in die tijd met paard en wagen en dat viel niet mee, want de afstanden logen er vaak niet om. Voor de dansmuziek had men in die beginjaren nog een cilinderorgeltje dat met de hand gedraaid moest worden. De verlichting bestond nog uit carbidlampen. Pas later ging men over op elektrische verlichting. Jean en Ferdinand hadden dus inmiddels beiden een goeddraaiend kermisbedrijf, waarmee zij een goede boterham konden verdienen.

‘Danssalon’ van F. Desmet op de kermis te Rotterdam.

MATHIJS
Hij was in België achtergebleven en scharrelde daar zijn kostje bij elkaar. Toen hij echter drieëntwintig was vond hij het toch stilletjes aan tijd worden om zich ergens te gaan vestigen. Hij kwam uiteindelijk in Venlo terecht, waar hij aan de Noordsingel een café annex danszaal begon. Drie jaar later echter reisde Mathijs toch weer de kermissen af en mocht hij zich net als zijn broer Ferdinand de trotse eigenaar noemen van een echte reizende Danssalon.

DANSSALONS
Uiteraard probeerden de broers zo veel mogelijk uit elkaars vaarwater te blijven. Dat viel natuurlijk niet mee, want Ferdinand was inmiddels uitgegroeid tot een van de meest succesvolle exploitanten van Danssalons in ons land. Er is zelfs een periode geweest dat hij met drie exemplaren op reis was. Hij bezocht alle grote kermissen, vooral in het zuiden, maar ook in de grote steden in het westen was hij regelmatig te gast. Op grote kermissen exploiteerde hij zelfs een biertent, zoals onder andere op de kermis te Rotterdam in 1906 en 1907. Het meest bezocht hij toch Sittard, waar hij op alle drie de kermissen te vinden was.

AMBTELIJKE TEGENWERKING
De eerste maal dat Ferdinand met zijn Danssalon op de kermis te Sittard verscheen was tijdens de novemberkermis in 1907. Hij had kosten nog moeite gespaard voor publiciteit. Heel Sittard kon in de krant lezen dat ‘Ferdinand Desmets Reuzen Danssalon’ was gearriveerd. Zijn zaak was de enige in Nederland met een oppervlakte van tweeduizend

Desm4a

‘Danssalon’ van F. Desmet op de kermis te Eindhoven.

vierkante meter, had een eigen elektrische verlichting en was voorzien van een spiegelgladde dansvloer. Deze inrichting was destijds een enorm succes, want het publiek kwam maar al te graag naar binnen om eens gezellig een dansje te maken of iets te drinken. De caféhouders in Sittard waren hier echter niet zo blij mee en dat was ook wel te begrijpen. In 1909 werden er tijdens de kermis in november zelfs filmvoorstellingen in de Danssalon gegeven en wederom had Ferdinand een grote toeloop. Kort daarvoor had hij alvast een vergunning aangevraagd voor de drie kermissen in 1910, maar in de gemeenteraadsvergadering van 22 oktober was deze vergunning geweigerd en de gemeenteverordening werd dusdanig gewijzigd dat ook geen andere danssalons meer werden toegelaten. Het leek een regelrechte overwinning voor de caféhouders te worden. Maar ondanks het feit dat de gemeenteraad al over het lot van de Danssalon had beslist, bracht dit alles toch wel de nodige beroering teweeg.

Desmet betaalde jaarlijks negenhonderd gulden aan pachtgeld, wat toch een belangrijke bron van inkomsten was voor de gemeentekas. Sommigen vonden het argument voor de weigering, dat de Danssalon schade toebracht aan de neringdoenden, niet erg overtuigend klinken. Desmet zelf liet zich echter niet uit het veld slaan en kwam met een nieuw bod. Hij was bereid duizend gulden per jaar te betalen als hij naast de drie traditionele kermissen zijn zaak ook tijdens de carnavalsdagen mocht exploiteren. De gemeenteraad van Sittard nam de zaak op twaalf november 1909 opnieuw in behandeling, maar een kleine meerderheid binnen de raad bleef toch bij het standpunt om een vergunning te weigeren. Om te voorkomen dat Desmet naar een particulier terrein zou uitwijken, werd aan artikel twaalf van de politieverordening toegevoegd dat het verboden was te dansen in gelegenheden, waarvan het dak niet geheel met pannen was bedekt. De bevolking van Sittard kon zich echter niet vinden in de beslissingen van de gemeenteraad en tijdens de carnaval van 1910 werd de mening van de gemeenteraad door middel van een carnavalslied, sarcastisch bekritiseerd en liet men duidelijk merken dat de Danssalon van Desmet zo snel mogelijk moest terugkeren op de Sittardse kermis. Op 21 mei 1910 werd de aanvraag van Desmet opnieuw in de gemeenteraad behandeld. Men had inmiddels enige financiële tegenvallers gehad en een kleine meerderheid van de raad was dit maal wel genegen de Danssalon van Desmet met ingang van de Sint Rosakermis in augustus weer toe te laten voor de prijs van driehonderd gulden per kermis. Tegelijkertijd werd het artikel twaalf van de politieverordening weer teruggedraaid, zodat de eis, dat dansgelegenheden met pannen bedekt moesten zijn, niet meer van kracht was. Ferdinand Desmet, die toch al gezien was in Sittard, werd nu nog populairder, vooral toen hij zijn diensten aanbood aan de carnavalsvereniging Marotte, die op 21 november van dat jaar een liefdadigheidsfeest organiseerde. Desmet stelde voor deze gelegenheid zijn Danssalon ter beschikking en nam ook alle verdere kosten voor zijn rekening. De opbrengsten van het feest waren bestemd voor de jaarlijkse Sint Nicolaasviering, die door de carnavalsvereniging Marotte werd verzorgd voor de arme kinderen. Voor de carnavalsoptocht van 1911 stelde Desmet twee grote transportwagens ter beschikking, terwijl hij ook zelf deelnam met een praalwagen. Tot aan de Eerste Wereldoorlog bleef het verder rustig en bezocht de Danssalon als vanouds weer de drie jaarlijkse kermissen, zonder dat de gemeenteraad voor problemen zorgde.

Jean Desmet, die zuinigheid als een van zijn goede eigenschappen had, besloot op zekere dag het kermisleven vaarwel te zeggen en opende een vaste bioscoop in de Korte Hoogstraat te Rotterdam. Zijn Imperial Bio werd nog een tijdje geëxploiteerd door Mathijs Desmet, die inmiddels de Danssalon van de hand had gedaan en bij zijn broer in dienst was getreden als operateur. Zijn werkterrein lag in Nederland en België.

VASTE BIOSCOPEN
België en ondanks het feit dat de reizende Bioscopen steeds meer concurrentie ondervonden van de als paddenstoelen uit de grond schietende vaste theaters heeft Mathijs dit toch nog bijna tien jaar volgehouden. Omstreeks 1919 vestigde Mathijs zich in Eindhoven en ging net als zijn broer over op een vaste bioscoop. De blauw fluwelen hoezen van de stoelen uit ‘The Imperial Bio’ nam hij mee en gebruikte deze in zijn eigen bioscoop. Hij wist toen nog niet dat ook hij aan de voet stond van en zeer succesvolle bioscoopcarrière, die hem ook buiten de landsgrenzen een bekend man zouden maken. In 1923 werd hij nog bijna het slachtoffer van een poging tot moord. De oorzaak lag in de relationele sfeer, maar gelukkig overleefde hij de aanslag.

Jean Desmet timmerde inmiddels stevig aan de weg. In 1910 opende hij het bekende filmtheater Cinema Parisien op de Nieuwendijk te Amsterdam en al spoedig volgden andere bioscopen in onder andere Vlissingen, Bussum en Eindhoven. Toen later bleek dat er voor de films die Desmet in zijn bioscopen draaide nog volop belangstelling bestond bij de andere ondernemers, richtte hij een filmverhuur- en verkoopkantoor op. Regelmatig reisde hij naar Duitsland waar hij op diverse filmbeurzen duizenden meters film kocht die hij weer verhuurde aan zeer veel vaste bioscoopondernemers in Nederland en België. Tot aan de Eerste Wereldoorlog was zijn verhuurbedrijf zeker succesvol, maar al spoedig werd de concurrentie steeds groter. Zijn vrouw Catharina was inmiddels overleden en in 1912 trouwde Jean voor de tweede maal met Hendrica Elselina Klabou. Uit dit huwelijk werd later nog een dochter geboren. Door de oprichting in 1918 van de Bond van Exploitanten van Nederlansche Bioscooptheaters, die drie jaar later zou uitgroeien tot de Nederlandsche Bioscoopbond, raakte het gehele filmbedrijf georganiseerd en gereglementeerd. Van de vrijheid van handelen die Jean Desmet voorheen nog had bezeten, was omstreeks 1920 dan ook weinig van over. Vanaf die tijd hield Jean Desmet zich als oprichter en directeur van de NV Maatschappij tot Exploitatie van Roerende en Onroerende Goederen “Madrid” hoofdzakelijk bezig met het beheren van zowel bioscooptheaters als woonhuizen. Zijn naam verdween uit de publiciteit. Alleen in het begin van de dertiger jaren liet hij nog eenmaal van zich horen, toen hij de plannen presenteerde voor een schouwburg aan de Amstelstraat te Amsterdam.

Toen Jean Desmet in 1956 op eenentachtig jarige leeftijd overleed, liet hij niet alleen een aanzienlijk vermogen na, maar ook een omvangrijk archief, omdat hij gedurende zijn bioscoopcarrière van ongeveer zestig jaar altijd alles had bewaard. Deze waardevolle verzameling werd later door de familie geschonken aan het Nederlands Filmmuseum.

FERDINAND BLIJFT OP DE KERMIS
Nadat Jean en Mathijs Desmet zich beiden op de bioscoopexploitatie hadden gestort was Ferdinand de enige die nog op de kermis actief was. Hij had inmiddels enige Danssalons van de hand gedaan en was zich wat meer gaan richten op het grootvermaak. Zo reisde hij in 1913 buiten de Danssalon ook nog met het ‘Lustige Dansrad’ en een grote ‘Rodelbaan’. Ook moet hij omstreeks 1915 nog een ‘Vrolijk Rad’ gehad hebben en mogelijk zelfs twee. Vooral de ‘Rodelbaan’ bracht veel werk met zich mee. Deze gigantische attractie met een afmeting van vijfenzeventig bij twaalf meter was zeer arbeidsintensief en kostte veel personeel.

Desm7

Kermis te Vlissingen in 1913.

Desm8

Toch is hier nog een behoorlijk aantal jaren mee gereisd. De ‘Rodelbaan’ ging in 1921 door brand verloren in een opslagplaats aan de Hofstraat te Apeldoorn. Het ‘Dansrad’ moet voor het publiek een aangename attractie zijn geweest. De attractie bezorgde de eigenaar nogal eens problemen omdat de aandrijving van deze attractie rechtstreeks van een locomobiel kwam en dat ging niet altijd naar wens. Ook Ferdinand Desmet lag natuurlijk tijdens de eerste Wereldoorlog regelmatig stil, maar in 1918 werd gelijk de draad weer opgepakt. Na verloop van tijd kwamen er weer diverse andere attractie, waaronder een ‘Autoracebaan’ en een ‘Zweefmolen’. In 1927 kwam Ferdinand Desmet weer met een gigantische attractie. Dat jaar presenteerde hij ‘Chateau Dingo’, een soort Cake Walk waar plaats was voor maar liefst duizend personen.

Deze zaak was zeker dertig meter lang en dus bedoeld voor de grotere kermissen. Volgens de Venlosche Courant van dat jaar was ‘Chateau Dingo’ daar op de kermis de absolute trekpleister en was de attractie iedere avond uitverkocht. Ook de Tilburgse kermis werd bezocht. Hier werd de achtduizendste bezoeker verrast met een nieuwe fiets, terwijl de

Desm18a

‘Rodelbaan’ van F. Desmet.

twintigduizendste bezoeker naar huis ging met vijftig gulden contant. Ondanks het succes deed Desmet zijn ‘Chateau Dingo’ in 1929 weer van de hand en kwam deze samen met het 52 toets Voigt orgel in het bezit van F. Riddering

‘Chateau Dingo’ van F. Desmet.

AFBOUW
Vanaf die tijd begon Ferdinand Desmet langzaam af te bouwen. Toch heeft hij vanaf deze periode nog diverse attracties geëxploiteerd. Zo reisde hij onder andere nog met een zogenaamde ‘Torenvlieger’, ‘Swing Mill’, ‘Schervenkeuken’, ‘Rad van Avontuur’, ‘Vogelpiek’,’Kinderdraaimolen’, ‘Vliegbom’ en nog diverse andere oefeningspelen. Opvallend hierbij was dat de zaken wel steeds kleiner werden.

Toen men stopte met reizen werd Geldrop de nieuwe woonplaats en hier werd ook het vijftigjarig huwelijk gevierd. Later verhuisde het echtpaar Desmet - Herregodts nog naar Eindhoven. Hier werd in 1957 nog het zestigjarig huwelijk gevierd en kon men terugkijken op een bewogen leven als kermisexploitant.

H. van Oers

‘Torenvlieger’ van F. Desmet.

Desm20a

Deze site is het laatst aangevuld/bewerkt op 27 april 2011.

Veel foto’s en afbeeldingen uit de diverse hoofdstukken en meer vind u op http://album.kermishistorie.nl