|
De schijf op het speelveld draaide continu met de zelfde snelheid terwijl de arm, die het einde vormde van de baan waarover de bal werd afgeschoten, zich over de schijf regelmatig heen en weer bewoog. Deze arm bewoog zich met de zelfde regelmaat als de schijf draaide en maakte dus bij elke omwenteling van de schijf dezelfde beweging. De speler schoot de bal, over de baan aan de rechterzijde van het speelveld via de bewegende arm, in de zich op de schijf bevindende spiraal. Over de schijf bevond zich een stilstaande nikkelen staaf, welke onder de schijf op het blad was gemonteerd en vanaf dit punt bijna verticaal naar het midden van de schijf liep alwaar deze bevestigd was. Bevond de bal zich eenmaal in de spiraal, dan liep hij tegen de staaf, waardoor voorkomen werd dat de bal met de schijf mee ging draaien. Tengevolge van de draairichting van de schijf werd de bal tegen de staaf gedrukt en bewoog zich, terwijl hij door de spiraal rolde, in verticale richting van boven naar beneden langs de staaf.
|